Niet-leefstijlgebonden oorzaken bij gewicht

Iemands gewicht wordt niet alleen bepaald door zijn leefgewoontes. Ook genetische, sociale en medicatiegebonden factoren kunnen invloed hebben. De sociale en fysieke omgeving krijgt aandacht in een aparte lesmodule. In deze les geven we een overzicht van de invloed van genetica en medicatie. Hiernaar wordt continu veel onderzoek gedaan omdat overgewicht zo’n groot probleem is voor de volksgezondheid. Er zal de komende jaren ongetwijfeld meer kennis beschikbaar komen.

Genetische aanleg

Een aantal voorbeelden van kenmerken die in aanleg kunnen verschillen bij mensen, in willekeurige volgorde:

  • Vetverdeling: ‘appelvorm’ of ‘peervorm’ (waarbij de appelvorm met meer vet rond de organen in de buikholte meer gezondheidsrisico met zich meebrengt)
  • Vetcellen die gemakkelijk oprekken, of juist niet
  • Productie van ghreline (hongerhormoon), leptine (verzadigingshormoon) en veel andere hormonen die de eetlust beïnvloeden
  • Verslavingsgevoeligheid, afstemming van het beloningssysteem van de hersenen
  • Tempo van de stofwisseling
  • Hoeveelheid bruin vetweefsel (temperatuur regulerend type weefsel dat verbranding van vetten stimuleert om warmte te produceren)
  • Neiging tot fidgeten (continu wiebelen en friemelen in rustsituaties) of niet
  • Stressgevoeligheid en de afregeling van stresshormonen zoals cortisol (dat bij hoge concentraties op de lange termijn leidt tot de aanmaak van meer (buik)vet)
  • Samenstelling van het microbioom (soorten en hoeveelheden bacteriën in de darmen)

De uitspraak ‘elk pondje gaat door het mondje’ gaat dus vaak niet op: twee mensen van dezelfde lengte die hetzelfde eten en evenveel bewegen, kunnen een totaal ander lichaamsgewicht hebben. Dit is overigens geen reden om een gezonde leefstijl maar te laten zitten als je een ongunstige aanleg hebt op één of meer gebieden. Het is eerder reden om extra goed voor jezelf te zorgen: je staat immers al met 1-0 achter. Aanleg hebben betekent gelukkig lang niet altijd dat je obesitas zult krijgen en houden. Bij sterke afwijkingen op het gebied van bijvoorbeeld stofwisseling of hormoonwerking kunnen mensen echter ‘onverklaarbare’ gewichtstoename of afname vertonen. Dat is meestal aanleiding om nader onderzoek te laten doen.

Gewichtsbeïnvloedende medicatie

Er is steeds meer bekend over de gewichtsverhogende effecten van verschillende soorten (veelgebruikte) medicijnen. Liesbeth van Rossum en Mariëtte Boon geven in hun boek Vet belangrijk de volgende opsomming van medicijnen die een gewichtsverhogende bijwerking kunnen hebben:

  • Corticosteroïden (lokaal, tabletten of injecties)
  • Middelen tegen hoge bloeddruk (bètablokkers, alfablokkers)
  • Antidepressiva (mirtazapine, citalopram, paroxetine)
  • Antipsychotica (lithium, olanzapine, risperidon)
  • Pijnstillers (pregabaline, amitriptyline)
  • Antidiabetesmedicijnen (insuline, glimepiride)

En een mogelijk verband is ook gevonden bij:

  • Maagzuurremmers (protonpompremmers)
  • Allergiemiddelen (antihistaminica)

Er zijn niet altijd optimale oplossingen als iemand deze medicatie nodig heeft én zijn gewicht wil verlagen of onder controle wil houden. Wel kan het helpen als mensen zich ervan bewust zijn dat hun medicatie hier invloed op heeft. Daardoor kunnen ze wellicht, al dan niet met hulp, hun leefstijl bijstellen om de gewichtstoename een beetje in te perken. Ook kunnen ze hun verwachtingen op het gebied van gewichtsverlies beter managen, zodat ze mogelijk minder teleurgesteld zijn als ze ondanks hun moeite niet (veel) afvallen.